Telegrafie

in Nederland

In 1845 wordt de eerste elektrische telegraafverbinding in ons land aangelegd langs de spoorbaan Amsterdam-Haarlem. Het is de diensttelegraaf van de Hollandse IJzeren Spoorweg Maatschappij en bestemd voor berichten over de treinenloop. De aanleg van deze telegraaf is het werk van Eduard Wenckebach. Hij heeft in Duitsland techniek gestudeerd en begrijpt het belang van elektrische telegrafie voor de regelmaat en veiligheid van de spoorwegen.

Het seintoestel is de zogenaamde 'wijzertelegraaf'. Hierbij draait de telegrafist een wijzer over een schaal in het rond, langs letters en cijfers. Bij het over te seinen teken laat hij de wijzer even stilstaan. Aan de ontvangzijde loopt de wijzer over eenzelfde schaal mee en blijft op dezelfde plaatsen even lang stilstaan. Het aangewezen teken wordt door de telegrafist opgeschreven. Zo worden berichten overgebracht. De bediening is eenvoudig, het seintempo echter laag.

Weldra wordt de telegraaflijn via Den Haag doorgetrokken naar Rotterdam. Het publiek kan de telegraaf tegen betaling bezichtigen. Vanaf 1847 mogen via de spoorwegtelegraaf ook particuliere berichten worden overgeseind. Hoewel dit is beperkt tot de stations tussen Amsterdam en Rotterdam, blijkt de telegraaf duidelijk in een behoefte te voorzien.

De Rijkstelegraaf
Dit is voor de regering aanleiding om een landelijk telegraafnet aan te leggen, verbonden met de telegraafnetten van de omringende landen. Eduard Wenckebach wordt benoemd tot 'Ingenieur der Rijkstelegrafen'. Onder zijn leiding wordt de aanleg van lijnen en de montage van apparatuur uitgevoerd. Telegrafisten worden opgeleid, 1 december 1852 begint de dienst.

Punten en strepen
Net als in België en Duitsland, wordt gekozen voor het seinsysteem van de Amerikaan Morse. Hierbij wordt de tekst van het bericht overgeseind met een seinsleutel. Letters en cijfers worden aangegeven door een combinatie van punten en strepen: de morse-code. Bij ontvangst schrijft het morsetoestel deze punten en strepen op een langzaam voortbewegende papierband. De telegrafist vertaalt de morsetekens tot een leesbaar bericht. Met dit eenvoudige en betrouwbare systeem kunnen berichten vrij snel worden overgeseind: ongeveer 15 woorden per minuut.

Het begin
1 december 1852... Kort voor de dienst moet beginnen, komen de toestellen, instructies en telegramformulieren binnen. Tot diep in de nacht zitten in verschillende telegraafkantoren de telegrafisten nog te studeren, soms bij het licht van een vetkaars. Een van de Haagse telegrafisten tekent over die begindagen op:

'Vreeselijk was onze inspanning, vooral ook door de ons geleerde wijze van seinen, namelijk het slaan op den seinsleutel. Onze vingers waren weldra met blaren en eelt bezet. Aan middagmalen viel de eerste vijf dagen niet te denken, doch we wisten ons te behelpen met brood, worst en bier, onder het seinen door gebruikt.'

Groei
Het telegraafnet wordt snel uitgebreid, de werkwijze wordt verbeterd. De Rijkstelegraaf voorziet in een behoefte. Zij biedt, voor de uitvinding van de telefoon, de snelste manier om een bericht over te brengen. Zo'n 'telegrafisch bericht' is in het binnenlands verkeer binnen een kwartier op de plaats van bestemming. De telegrafist schrijft het op een telegramformulier, waarna het wordt bezorgd door de telegrambesteller. In 1860 worden in 54 telegraafkantoren 198.000 telegrammen verwerkt in het binnenlands- en 124.000 telegrammen in het buitenlands verkeer. Vooral de handel maakt gebruik van de telegraaf. Vanaf 1878 worden bij de kantoordienst van de Posterijen en de Telegrafie ook vrouwen en meisjes aangesteld. Bij de telegraafdienst kunnen zij in dienst treden als directeur, onder- directeur, telegrafist, klerk, assistent en leerling.

Een nieuwe uitvinding
De Rijkstelegraaf neemt in 1877 proeven met een nieuwe uitvinding: de telefoon. Deze is een jaar eerder door Alexander Graham Bell ontwikkeld. De telefoon blijkt het gesproken woord duidelijk over te dragen en is eenvoudig te bedienen.

De telegraaf in kleine plaatsen
In kleine plaatsen is het aanbod van telegrammen te gering om een telegrafist een dagtaak te geven. De oplossing is een telefoontoestel, dat rechtstreeks verbonden is met het dichtstbijzijnde telegraafkantoor. Daar vandaan wordt een 'doorgesproken' bericht via het telegraafnet overgeseind naar de plaats van bestemming. Ook bewoners van kleine plaatsen kunnen daardoor van de telegraaf gebruik maken.

De eerste 'hulptelegraafkantoren' (met een telefoon) worden geopend in 1881: De Cocksdorp, Loosduinen, llpendam, Ylst en Rauwerd. In ons land is dan nog geen interlokaal telefoonnet. Het aantal hulptelegraafkantoren met een telefoon is in 1902 al gestegen tot 465.

Snel en doelmatig
Het morsetelegraafnet wordt in 1904 verbeterd door het 'doorverbindingsstelsel'. Belangrijke plaatsen krijgen een doorverbindingspost en worden rechtstreeks met elkaar verbonden. Hierdoor verminderen de wachttijden, zodat het telegraafverkeer nog sneller en doelmatiger wordt afgewikkeld. Geleidelijk wordt de morsetelegraaf verdrongen door de eenvoudig te bedienen verreschrijver. In 1956 wordt de laatste morseverbinding in ons land opgeheven, na een diensttijd van meer dan honderd jaar.

 

 

Seinzaal telegraafkantoor Amsterdam, 1876


Telegrambesteller, 1910


Seinzaal, 1935