Satellieten
Satellieten hebben de communicatie tussen mensen eigenlijk net zo veranderd als honderd jaar eerder de telegraaf dat deed. Ze hebben het mogelijk gemaakt dat we nu rechtstreeks televisiebeelden van over de hele wereld kunnen bekijken. En ook het intensieve wereldtelefoonverkeer dat vroeger, bijvoorbeeld naar Amerika, voornamelijk via zeekabels afgewikkeld werd, gaat nu vaak via de satelliet.
Een satelliet is eigenlijk een soort spiegel in de ruimte. Hij doet niets anders dan het weerkaatsen van radio-, televisie- of telefoonsignalen. Zulke signalen worden opgestraald vanaf de aarde. De satelliet vangt ze op, versterkt ze en stuurt ze dan weer naar de aarde, waar ze met een schotelantenne opgevangen kunnen worden.
Op 4 oktober 1957 wordt de eerste satelliet in de ruimte gestuurd, de Russische Spoetnik 1. Na deze eerste lancering volgt een reeks van proefnemingen om satellieten in te zetten voor communicatiedoeleinden. Een belangrijke stap voorwaarts vormt de Amerikaanse Telstar-1, die op 10 juli 1962 wordt gelanceerd. De eerste echte communicatiesatelliet is de INTELSAT-I, ook wel Early Bird genoemd, in 1965. Twintig jaar later wordt het voor radioverslaggevers mogelijk om met kleine draagbare grondstations verbindingen te leggen met de studio. De ontwikkelingen op het gebied van satellietcommunicatie zitten in een stroomversnelling. Momenteel zijn er vergevorderde plannen van verschillende organisaties om met een vloot van laagvliegende (700-2000 km hoogte) satellieten de communicatie te gaan verzorgen voor bijvoorbeeld mobiele telefoons, faxen en supersnelle internetverbindingen.
Communicatiesatellieten hangen hoog boven de aarde, op zo'n 36.000 kilometer. Een satelliet legt in precies 24 uur zijn baan om de aarde af en volgt daarbij de draaiing van de aarde. Daardoor lijkt het alsof hij een vaste positie heeft. Zo'n omloop wordt geostationair genoemd. Theoretisch is het daardoor mogelijk om met drie satellieten de hele aardbol te omvatten.
De Spoetnik 1, 1957












