De eerste standaard
brievenbus
De ontwikkeling van de eenvoudige houten brievenbus, die tot 1850 werd gebruikt, tot de huidige rode kunststof brievenbus, ging zeer geleidelijk. De groei van het berichten-verkeer leidde het gebruik van zeer grote aantallen brievenbussen. Tegenwoordig staan er in Nederland meer dan 21.000.
In de 17de eeuw verschenen in de steden de eerste brievenbussen. Boden- en postmeesters plaatsten ze bij hun kantoor. Beurt- en trekschuitschippers hingen bussen op bij de afvaartplaatsen voor de verzending van brieven naar steden, die op hun route lagen. Deze brievenbussen waren alle van hout, maar verschillend van uitvoering.
Tijdens de Statenpost in het Gewest Holland en Westfriesland, in de tweede helft van de 18de eeuw, was het postverkeer niet zo omvangrijk. Het gaf in ieder geval nog geen aanleiding om de plaatsing van brievenbussen speciaal te organiseren. Op dat moment bestonden er nog geen postzegels. Het was gebruikelijk dat de geadresseerde het briefport betaalde. Een brief kon dus zo in een brievenbus worden gedaan. Veelal werd dit gedaan bij het postkantoor, dat voorzien was van een inwerpopening in de gevel. Ook stonden in sommige steden hier en daar eenvoudige brievenbussen opgesteld.
In 1852 werd in Nederland de postzegel ingevoerd. Van toen af aan kon de portbetaling vooraf plaatsvinden, zonder dat er een bezoek aan het postkantoor nodig was. Hierop vooruitlopend werd, bij circulaire 423 van 24 augustus 1850, de invoering van een standaardbrievenbus voor de grote steden aangekondigd.
De eerste standaardbrievenbus in de stad: 1850
IJzergieterij L.I. Enthoven te Den Haag kreeg in 1850 de opdracht zeventig brievenbussen te maken. De kosten per bus, inclusief het transport, bedroegen fl. 47,-. De ontwerper van deze brievenbus is onbekend. Tegelijkertijd kreeg de Haagse blikslagerij Candel de opdracht 140 afsluitbare binnentrommels voor de bussen te vervaardigen. Het was namelijk de bedoeling om de buslichter niet in aanraking te laten komen met de correspondentie. Deze wisselde dus de volle voor een lege trommel. De ambtenaar op het postkantoor opende pas de volle trommels. Eind 1850 stonden de eerste bronsgroene brievenbussen, met één inwerpgleuf, in Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht. In verband met de invoering van postzegels voor drukwerk, werd in 1869 in de bestaande standaardbrievenbussen een tweede inwerpgleuf voor drukwerk aangebracht. Voor de postkantoren werd een gevelbrievenbus ontwikkeld. Deze zogenaamde frontplaat heeft verticaal een gleuf voor de brieven en horizontaal een gleuf voor het drukwerk.
De tweelingbrievenbus
Om de stadspost gescheiden te houden van de post voor binnen- en buitenland, werd in 1954 een proef gehouden met gescheiden brievenbussen. Bij een onderzoek bleek namelijk dat 35% van de briefpost een lokale bestemming had.
Na een geslaagde proef in Den Haag van 50.000 lokale poststukken per dag, wat alleen daar al veertig uur sorteerwerk bespaarde, trof men voorbereidingen om te komen tot een goed ontwerp van een dubbele brievenbus. Eind 1956 kregen de adviseurs voor Industriële Vormgeving Parry en Truyen in Voorburg de opdracht een dubbele brievenbus te ontwerpen.
In 1957 werd het ontwerp gepresenteerd. Daarbij werden proeven genomen met een werkmodel van perspex. In 1960 plaatste PTT twaalf bussen op proef in Den Haag. In 1962 werd de tweelingbrievenbus definitief ingevoerd.
Alle standaardbrievenbussen en andere stadsbrievenbussen werden vervangen. Tot en met 1983 heeft Philips in Eindhoven de brievenbus vervaardigd. Daarna ging de order naar de apparatenfabriek Hogro in Waalwijk.
In de loop van de tijd heeft de tweelingbrievenbus vele wijzigingen ondergaan, onder andere om zijn levensduur te verlengen en hem meer vandalismebestendig te maken.

Standaardbrievenbus, 1870

Standaardbrievenbus, 1914 - 1964

Tweelingbrievenbus, 1960

Tweelingbrievenbus, 2002












