De juffrouw van de telefoon
In 1881 gaat in Amsterdam het eerste telefoonnet in Nederland van start. Vanaf dat ogenblik brengen telefonistes de verbindingen tussen de abonnees tot stand.
In Nederland is telefoniste altijd een vrouwenberoep geweest. Maar één van de eerste telefooncentrales in de Verenigde Staten wordt door switchboys bediend. Ook in Duitsland bedient het mannelijke personeel van de telegraafdienst in het begin de telefooncentrales. Rond de eeuwwisseling is het beeld veranderd; telefoniste is dan een exclusief vrouwenberoep geworden. De voornaamste reden is een economische; vrouwenarbeid is minder duur en er zijn veel goed opgeleide meisjes op de arbeidsmarkt. Uit de textielindustrie is bovendien bekend dat vrouwen dit soort werk, waarbij over een lange periode steeds dezelfde beweging moeten worden gemaakt, beter aankunnen dan mannen.
Een leuk beroep...
De onregelmatige diensten maken het extra aantrekkelijk. Door de mogelijkheid om onderling diensten te ruilen kan een telefoniste gemakkelijk een weekend of een aantal dagen achtereen vrij zijn. De betaling is goed en omdat telefonistes
in dienst van PTT en van de gemeente ambtenaressen zijn, heeft het beroep een hoge status. Telefoniste bij PTT is het gewildst, die verdienen ook iets meer dan hun collega's bij de particuliere en gemeentelijke telefoondiensten.
Rode en witte lampjes
Om telefoniste bij PTT te worden, sollici-teren de vrouwen per brief op een oproep in de kranten. Dan volgt een medische keuring en een toelatingsexamen, waar-bij veel aandacht wordt besteed aan de beheersing van Duits, Engels en Frans en aan de kennis van aardrijkskunde. In kleine plaatsen is een gesprek met de directeur van het postkantoor meestal al voldoende. De eisen voor een gemeente telefoniste zijn een paar jaar middelbare school.
Test !
In de jaren dertig moeten de sollicitan-tes soms een psychologisch onderzoek ondergaan, waarbij getest wordt of ze geschikt zijn voor het werk. Bij een van \de tests moeten de kandidaten aan een imitatie-telefooncentrale gaan zitten.
Een machine stuurt in hoog tempo rode en witte lampjes willekeurig aan. Als er een wit lampje op het schakelbord gaat branden moet ze zo snel mogelijk een schakelaar indrukken, bij een rood lampje de schakelaar weer uittrekken. Tegelijkertijd noemt de proefleider plaatsnamen op, die de telefoniste moet proberen te onthouden. De test meet twee zaken: doordacht handelen en het geheugen.
De meeste beginnende telefonistes krijgen eerst een opleiding. In die tijd leren zij hoe de telefooncentrale werkt, hoe ze de klanten moeten benaderen en hoe ze bij een interlokaal of -nationaal gesprek het gesprekkenbriefje moeten invullen. Als de tientallen telefonistes in een grote telefooncentrale gelijktijdig aan het praten zijn, wordt het erg onrustig. Daarom krijgen de telefonistes bij PTT vanaf 1927 ook spreeklessen. Behalve ademhalingstechniek, leren zij om kort en duidelijk vóór in de mond te spreken en puntig te articuleren. Tijdens de opleiding krijgen de leerling-telefonistes dertig tot vijfendertig gulden per maand. Vergeleken met een kantoorbaan is dit riant. Daarna gaat hun salaris omhoog tot vijfenvijftig à zestig gulden.
Stoppen, klinken en posten
Er zijn lokale en interlokale telefonistes. De eerste maken de verbindingen tus-sen abonnees in een bepaald gebied. Dat kan een stad zijn, een wijk of een streek. Gesprekken naar andere plaats-en lopen via de interlokale telefoniste. Telefonistes hebben een eigen taaltje; het gedeelte van de telefooncentrale dat ze bedient, heet haar 'post'. De koptele-foon met microfoon is het 'hoofdstel'. De snoeren waarmee ze twee abonnees met elkaar verbindt heten 'koorden'. Ieder koord heeft twee stekers, de 'stoppen'. De stopcontacten op de telefooncentrale heten 'klinken'.
Op je 'posten'...
In de loop van de jaren dertig groeien de telefooncentrales in de grote steden. In de 'spits' zitten tientallen telefonistes achter de 'posten'. In tegenstelling tot de gemoedelijke sfeer in dorpen of kleine steden, gaat het er streng toe. In de grote centrale 'Kerkplein' in Den Haag mag tussen acht en vijf niet onderling worden gepraat. Twee minuten vóór aanvang van de dienst moet de telefoniste al met haar 'hoofdstel' op klaar staan. Wie te laat komt krijgt strafdienst. Tijdens het werk lopen er toezichthoudsters rond om te kijken of alles er ordelijk aan toe toegaat. Tijdens de koffie- thee- en lunchpauzes worden de telefonistes afgelost.
De Arbeidswet van 1919 verbiedt avond- en nachtdiensten van vrouwen. In kleine-re plaatsen, waar de telefooncentrale 24 uur per dag open moet zijn, zit 's nachts een man. In grote steden is het werk op de telefooncentrales een continubedrijf. De PTT krijgt daar meestal ontheffing van het verbod. Er zijn dag-, avond- en nacht-diensten. Iedere 45 minuten wordt van 'post' gewisseld. Per dag wordt meestal tussen de zes en acht uur gewerkt.
Trouwen of carrière?
Telefonistes die hogerop willen moeten nogal wat hindernissen nemen. In 1904 wordt bij Koninklijk Besluit bepaald dat ambtenaressen in het algemeen bij hun huwelijk eervol ontslag moeten krijgen, een regel die later nog wordt aange-scherpt. Telefonistes met trouwplannen spannen zich daardoor ook niet in voor de vakexamens. Zij zien hun werk vaak als iets tijdelijks. Maar ook voor telefo-nistes die ongehuwd blijven, en wel de vakexamens doen, zijn er weinig moge-lijkheden. Het aantal hogere functies, toezichthoudster of chef-telefoniste, is beperkt. De doorstroming is traag, pas na vijftien of twintig jaar is bevordering tot toezichthoudster mogelijk. Een enkeling brengt het daarna tot chef-telefoniste.
Automatisering
In de jaren dertig neemt PTT het besluit om het gehele Nederlandse telefoon-verkeer te automatiseren. De voornaam-ste redenen hiervoor zijn dat de dienst-verlening moet toenemen. Daarbij komt dat de grotere telefooncentrales niet meer eenvoudig uitgebreid kunnen worden. PTT verwacht bovendien ook een sterke groei van het aantal abon-nees en van het telefoonverkeer. In 1930 zijn nog meer dan tweeduizend telefo-nistes bezig met het doorverbinden van lokale en interlokale gesprekken. Naarmate de automatisering vordert, wordt steeds meer lokaal en interlokaal telefoonverkeer afgewikkeld via de automatische telefooncentrales. Gelei-delijk neemt het aantal telefonistes af.
In 1962 valt het doek voor de 'gewone' telefoniste wanneer het Groningse dorpje Warffum als laatste op het auto-matische telefoonnet wordt aangesloten. In heel Nederland kan nu automatisch worden getelefoneerd. Het telefoon-verkeer is intussen zo sterk toegenomen dat zonder automatisering er dat jaar 35.000 tot 40.000 telefonistes nodig zouden zijn geweest. De 1760 telefo-nistes die de PTT in 1962 nog in dienst heeft, houden zich voornamelijk bezig met het internationaal verkeer en het verstrekken van inlichtingen. Eind jaren zeventig is dat voorbij, met bijna alle landen kan dan automatisch worden getelefoneerd.













