Boden en postmeesters
Schilderij postmeester Lambert Twent en zijn zonen, 1695
In de Middeleeuwen bestaat nog geen georganiseerd postbedrijf. Instellingen en rijke mensen hebben eigen boden in dienst om hun brieven te bezorgen. Er zijn kloosterboden, universiteitsboden en particuliere boden. Eenvoudige mensen geven hun brieven mee aan reizigers of rondtrekkende ambachtslieden. Met de aanstelling van stadsboden wordt min of meer de basis gelegd voor een georganiseerde post.
Het recht om brieven te vervoeren (postrecht) is vanouds een recht van de vorst. De vorst maakt zelf geen gebruik van dit recht, maar verleent steden het privilege boden te benoemen. Het stadsbestuur stelt een 'stadsbode' aan. De stadsbode heeft een officiële status. Om de status kenbaar te maken, draagt hij een schildvormig insigne met een afbeelding van het stadswapen. Dit kenteken wordt 'bodebus' genoemd. Oorspronkelijk is de bodebus een kleine platte koperen tas, waarin klein opgevouwen perkamenten brieven worden vervoerd. Doordat er later veel brieven zijn te vervoeren, raakt deze bodebus in onbruik. Als insigne blijft het wel in gebruik.
De koopmansgilden stellen eveneens boden aan. De 'koopmansbode' draagt geen insigne. Stadsboden en koopmansboden zijn zogenaamde gelegenheidsboden. Deze boden gaan pas op weg als er voldoende brieven zijn te transporteren. Een dienstregeling bestaat nog niet. Dit verandert als in de 16de eeuw de economische bedrijvigheid toeneemt en de behoefte ontstaat aan een briefverzending op vastgestelde dagen.
Instructies
De stadsbesturen stellen instructies op voor de bodedienst. Hierin worden de reisdagen en het briefport geregeld. Het ambt van bode wordt in het vervolg aan de meestbiedende verpacht.
Een bode loopt tussen steden. Het platteland wordt niet bediend. De bode van Delft loopt naar Rotterdam en de bode van Rotterdam naar Delft. Eerst is het verboden, naderhand krijgen de boden toestemming de brieven halverwege het traject met elkaar uit te wisselen. De ontvangen porten worden op elke volgende reis verrekend. Dit is nodig, omdat in die tijd de ontvanger van de brief het briefport betaalt.
Omstreeks 1600 bedraagt het port voor een brief, al naar gelang de afstand, twee tot vijf stuivers.
Zodra een bode het zich kan veroorloven, stopt hij met reizen en laat hij het transport aan 'bodelopers' over. De bode zelf houdt zich uitsluitend bezig met de administratie en de organisatie van het brievenvervoer. De bodenambten zijn zeer begeerd. Het stadsbestuur vergeeft deze functies graag aan de eigen familie of vrienden.
Het beroep van bodeloper is zwaar. Vooral 's winters is het heen en weer trekken langs slecht begaanbare wegen geen gemakkelijke opgave. Er is ook nogal wat moed voor nodig. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog komt het herhaaldelijk voor dat een bodeloper door zwervende soldaten wordt overvallen. Na de beëindiging van de langdurige oorlog in 1648 bloeien handel en nijverheid op. Het briefverkeer neemt toe. Een nieuwe fase in de bodediensten breekt aan.
Postiljon te paard
De bodelopen worden omgezet in 'rijdende posten'. Hendrick Jacobsz van der Heyden, postmeester te Zevenbergen, neemt het initiatief voor de oprichting van het postvervoer per postruiter. Er is een groot aanbod van vrijkomende militaire ruiters. Aan het eind van de 17de eeuw heeft de postiljon te paard op de belangrijkste routes het werk van de lopende bode overgenomen.
In de tweede helft van de 17de eeuw verandert het ambt van bode in dat van postmeester. De postmeesters houden zich uitsluitend met het regelen van het brievenvervoer bezig. De veranderingen vinden geleidelijk aan plaats.
In kleine steden wordt de belangrijkste bode tot postmeester benoemd en de bodenkantoortjes worden in een generaal (algemeen) kantoor verenigd. In grote plaatsen wordt een generaal-postmeester aangesteld over een aantal kantoren.
Aan één kantoor zijn meer postmeesters verbonden. In Amsterdam heeft men bijvoorbeeld zes kantoren en 32 postmeesters. Deze regelen onderling het werk en delen samen de inkomsten uit de postdienst.
De postmeesters krijgen het recht de posthoorn te voeren. De in hun opdracht rijdende postiljons maken hier een nuttig gebruik van tijdens de rit. Een postmeester mag na goedkeuring van de stedelijke overheid ook contracten afsluiten met postmeesters in andere steden. Het particulier financieel belang van de postmeester staat nog steeds op de voorgrond. Dit betekent dat de postverbindingen met het platteland worden verwaarloosd. Door een beperkt briefverkeer zijn deze verbindingen namelijk verliesgevend.
Vriendjespolitiek
Door de winstgevende inkomsten is bij de benoeming van postmeesters vaak sprake van vriendjespolitiek. Zo worden in Amsterdam zelfs kinderen als postmeester aangesteld. Onder anderen: Willem Munter (2 jaar oud), zijn broer Gerrit (4), G. Corver Hooft (5) en Jan Boreel (7). In het begin van de 18de eeuw nemen de steden de postdiensten in eigen beheer. De nieuw aangestelde postmeesters krijgen in het vervolg een salaris.
In 1752 worden alle postdiensten in het Gewest Holland en Westfriesland onder één gezag geplaatst. Het nieuwe postpersoneel wordt tot ambtenaar benoemd. Oude postmeesters worden op wachtgeld gesteld. In de overige gewesten blijft de functie nog gehandhaafd tot het eind van de 18de eeuw.
Tastbare herinneringen
Van vier postmeesters heeft het Museum voor Communicatie nog tastbare herinneringen in huis. Een postkaart van de Rotterdamse postmeester Jacob Quack; een zilveren gedenkpenning van de Amsterdamse postmeester Roelof Meulenaer; een geschilderd portret van de Delftse postmeester Lambert Twent en een koffer met onbestelbare brieven van de Haagse postmeester Simon de Briënne.

De kloosterbode, prent 1466


Prent naar gedenkpenning postmeester Roelof Meulenaer, 1688












