VOC brieven

Brief aan Jan Adriaen van den Bogaert commandant van de soldaten op het schip Leckerland dat naar Oost-Indië zal afreizen, 1759

De V.O.C. was een bundeling van verschillende 'Compagnieën van Verre' en vormde zo een handelsmacht die bij de lucratieve handel op Oost-Indië beter bestand was tegen de dreiging van de Portugese, Spaanse en later ook Engelse expansiedrift. De Compagnie bezat het handelsmonopolie (octrooi) en het monopolie op het brievenvervoer naar Oost-Indië. In de brievencollectie van het museum bevinden zich enkele tientallen brieven, die verstuurd zijn via de VOC naar Nederland of naar Indië.

Censuur
Onder het bewind van de eerste, in 1609 benoemde Gouverneur-Generaal Pieter Both, breidde het aantal vestigingen van de Compagnie zich sterk uit. In 1619 veroverde Gouverneur-Generaal Jan Pietersz Coen Jacatra op Java en stichtte er Batavia (nu Djakarta). Coen stelde in Batavia een opperkoopman aan. De opper-koopman controleerde alle brieven die met de V.O.C.-schepen werden verzonden.Na lezing werden de brieven stuk voor stuk in het zogenaamde 'Patriaboek' genoteerd. Een vorm van censuur die moest verhinderen dat mededelingen betreffende handel en bestuur in verkeerde handen zou vallen. In het vaderland werden de brieven, alvorens ze met de uitzeilende vloot werden meegegeven, door de verschillende V.O.C.-kamers gecensureerd en op verzendlijsten gespecificeerd.

Duplicaat
Het reizen per schip was in die tijd een hachelijke zaak. Men kon door zwaar weer schipbreuk lijden, stranden of in gevechten met vijandelijke schepen het onderspit delven. De scheepsreizen duurden erg lang. Zes tot acht maanden was normaal. De route lag om de uiterste zuidpunt van Afrika, Kaap de Goede Hoop. Tegenwoordig wordt het heel gewoon gevonden dat een brief altijd aankomt. In de 17de en 18de eeuw had men door de gevaarlijke overtocht natuurlijk minder zekerheid van de aankomst van de brief. Om de kans hierop te vergroten werd vaak met een ander schip een duplicaatbrief verzonden. In de brievencollecties van het museum zijn daar voorbeelden van aanwezig.

Postkantoor
Vanaf 1633 werden de in Batavia aankomende brieven voor particulieren, na lezing door de opperkoopman, door een deurwaarder in de stadsherberg opgehangen. Belanghebbenden konden zo vaststellen of er voor hen iets bij de post was.
Het eerste echte postkantoor werd tijdens het bestuur van de Gouverneur-Generaal G.W. Baron van Imhoff in 1746 te Batavia in gebruik genomen. Aan het kantoor waren twee beëdigde postmeesters verbonden. Wilde iemand weten of er een brief voor hem was, dan kostte het raadplegen van het brievenregister tweeëneenhalve stuiver en het uitreiken van de brief nog eens vijf stuiver. 'Arme luyden' hoefden deze kosten echter niet te betalen.
Tegen het einde van haar bestaan, in 1788, stelde de Compagnie nog een poging in het werk om de reistijd te bekorten door een aantal snelle jachten tussen Nederland en Indië te laten varen. Dit werd echter geen succes.

Portstempels
Om de uniformiteit in de briefporten te bevorderen, voerde de V.O.C. in 1788 portstempels in. Er zijn stuiver- en guldenstempels. Het port werd vastgesteld aan de hand van negen formaten (grootte van de brief) en liep op van zes stuiver tot zeven gulden. Deze V.O.C.-stempels werden nog geruime tijd gebruikt. Ook nadat de Compagnie was opgeheven en zelfs nog tijdens het Franse en Engelse tussenbestuur van 1808 tot 1814.
Tijdens de Bataafse Republiek werd in 1798 het octrooi vernietigd en verdween de naam V.O.C. uit de annalen. Met het verdwijnen van de Compagnie kwam tevens een einde aan twee eeuwen monopolistisch brievenvervoer naar Indië.

 

 

Model van het V.O.C.-schip Prins Willem,
dat oorspronkelijk in 1651 werd gebouwd.

Brief aan C. Legal te Batavia uit 1789 met een 6 stuiverstempel